Eigenlijk vanaf het moment dat de mens zijn nomadenbestaan opgaf, is er een ontwikkeling gekomen op het gebied van beelden en monumenten. In de prehistorie werden er in sommige landen al grote steencirkels en menhirs geplaatst. Zo’n 3000 jaar voor Christus was kunst in dienst van de doden en de goden, er kwamen tempelbeelden en grafsculpturen en natuurlijk de sfinx. Bij de Grieken was het menselijk lichaam een geliefd onderwerp. Zo’n 660 jaar voor Christus werd dat lichaam ook sterk geïdealiseerd. Toch had men de vaardigheid om diepte en beweging te suggereren. Later werd het beeld van het lichaam realistischer.

Koningen, goden en helden

In de geschiedenis zijn er veel beelden gemaakt van koningen, goden en helden. Hiermee werden ze geerd of herdacht of het was een manier om zich met hen te kunnen identificeren. De Romeinse kunst bestond zo’n 40 jaar voor Christus tot 400 jaar erna voornamelijk uit realistische portretten en het historisch reliëf, bijvoorbeeld op triomfbogen of monumenten. Later, tijdens de Byzantijnse kunst wordt de tweedimensionale beeldhouwkunst vervangen voor mozaïeken.

De opkomst van de Romaanse kunst

Met de opkomst van de Romaanse kunst komt er een herleving van de monumentale beeldhouwkunst. Veel mensen kunnen niet lezen of schrijven en de beeldhouwkunst neemt eigenlijk een deel van geschreven woord over. Zeker op het gebied van het geloof. Tijdens de tijd van de gotiek worden de beelden natuurgetrouwer, vormen en uitdrukkingen komen tot leven. De statigheid verdwijnt en wordt langzaam vervangen door sierlijkheid en intimiteit. Toch speelt het geloof nog steeds een grote rol bij de beelden. De beeldhouwers van de Renaissancetijd pakken de draad van de klassieke kunst weer op. De kerk blijft wel een belangrijke opdrachtgever, maar er wordt weer meer gekeken de mogelijke bewegingen van de delen van het menselijk lichaam.

Nieuwe stromingen

Zo kent iedere periode zijn ontwikkelingen, ook op het gebied van beeldhouwkunst. En iedere periode kent zijn meesters. Zo kwam werd Michelangelo tijdens de renaissance steeds bekender en tijdens de barok Bernini. Tijdens de barok worden beelden ook niet alleen meer gewaardeerd om hun functie, men roemde ook de schoonheid en het vakmanschap. Beelden worden ook ineens gewoon ergens voor de sier geplaatst, bijvoorbeeld in paleistuinen. In de baroktijd is er ook ineens belangstelling voor dramatische en theatrale effecten.

Aan het eind van de 17e eeuw zijn er in Frankrijk nieuwe stromingen: de conservatieve poussinistes en de moderne rubenistes. Het classicisme wijst de barok en rococo elementen juist weer af en keert terug naar stilt en rust. Romantiek overstemt het classicisme en zo blijft het veranderen. Tijdens het neoclassicisme komt de beeldhouwkunst enigszins in een impasse, er komt een meer academische stijl. Thema’s uit het verleden worden aangegrepen en de technische begaafdheid speelt een belangrijke rol.